Large indoor space with a massive pendulum for gravity energy storage and signs for energy and mobility services.

Dag Fluvius, met je dweil zonder spons

Wanneer Bothuyne de geplande investeringen van 11 miljard euro in het elektriciteitsnet verdedigt, stel ik mij een fundamentele vraag: zijn we bezig met een oplossing, of met een uitbreiding van een systeem dat steeds moeilijker aansluit bij de realiteit?

Gedurende twaalf jaar volgde ik Fluvius van nabij. Wat mij daarbij steeds opnieuw opviel, is dat discussies over energie vaak worden herleid tot infrastructuur. Meer kabels. Meer transformatoren. Meer netcapaciteit.

Dat klinkt logisch. Maar logica hangt af van de diagnose die men stelt.

En precies daar loopt het vandaag mis.

Een energiesysteem uit de twintigste eeuw

Het Vlaamse elektriciteitsnet is ontworpen voor een wereld waarin een beperkt aantal grote centrales energie produceerde en miljoenen burgers die energie consumeerden.

Dat systeem was overzichtelijk. De stroom bewoog zich grotendeels in één richting.

De netbeheerder had één duidelijke opdracht: voldoende capaciteit voorzien om elektriciteit van producent naar verbruiker te brengen.

Vandaag ziet de wereld er fundamenteel anders uit.

Honderdduizenden gezinnen produceren zelf elektriciteit.
Elektrische voertuigen worden mobiele batterijen.
Warmtepompen verschuiven verbruikspatronen.
Thuisbatterijen slaan energie op.
Lokale energiegemeenschappen ontstaan.

De elektriciteitsstroom beweegt niet langer in één richting.
Ze beweegt in alle richtingen tegelijk.
Dat maakt congestie niet in de eerste plaats een infrastructuurprobleem.
Het maakt congestie een coördinatieprobleem.
De vraag van de toekomst luidt niet hoeveel koper we nodig hebben.
De vraag luidt hoeveel intelligentie we kunnen toevoegen aan het systeem.

De perverse logica van netverzwaring

Hier komen we bij een ongemakkelijke vaststelling. Het huidige model van netbeheer beloont investeringen in infrastructuur.

Dat is geen beschuldiging. Dat is een structureel gegeven.

De inkomsten van gereguleerde netbedrijven zijn historisch gekoppeld aan investeringen in activa. Nieuwe kabels, nieuwe stations en nieuwe infrastructuur creëren een gereguleerd rendement.

Dat model werkte uitstekend in een tijdperk van centrale productie. Maar in een tijdperk van digitalisering creëert het een blinde vlek. Een organisatie die wordt beloond voor infrastructuurinvesteringen zal spontaan naar infrastructuuroplossingen zoeken.

Niet uit slechte wil. Maar omdat het systeem zo ontworpen is.

Wanneer een ziekenhuis wordt betaald per uitgevoerde operatie, stijgt het aantal operaties.
Wanneer een wegenbouwer wordt betaald per kilometer asfalt, verschijnen er nieuwe wegen.
Wanneer een netbeheerder wordt beloond voor fysieke uitbreidingen van het net, wordt netverzwaring vanzelf de dominante reflex.

Dat is geen fout van mensen. Dat is een gevolg van incentives.

De vraag die politici zich moeten stellen is daarom niet hoeveel miljard extra nodig is. De vraag is of het huidige regelgevende kader voldoende prikkels geeft om alternatieven ernstig te onderzoeken.

De vergeten oplossing: flexibiliteit

Wereldwijd verschuift de aandacht steeds meer van productie naar flexibiliteit. Niet toevallig.

Een slim systeem probeert pieken te vermijden voordat het nieuwe infrastructuur bouwt.
Dat gebeurt vandaag reeds via:

  • wijkbatterijen;
  • energiehubs;
  • dynamische tarieven;
  • demand response;
  • virtuele energiecentrales;
  • lokale energiegemeenschappen.

Al deze instrumenten hebben één gemeenschappelijk kenmerk.
Ze gebruiken bestaande infrastructuur efficiënter.
Ze vergroten niet noodzakelijk het net.
Ze vergroten de capaciteit van het systeem.
Dat verschil is cruciaal.

Een extra kabel verhoogt de fysieke capaciteit.
Een slim algoritme verhoogt de benuttingsgraad van diezelfde kabel.

Net zoals het internet niet werd gebouwd door enkel dikkere glasvezelkabels aan te leggen, zal de energietransitie niet slagen door uitsluitend in koper en beton te investeren.

Software wordt minstens even belangrijk als hardware.

De les die Europa ons probeert te leren

Europa zet al jaren in op energiegemeenschappen en burgerparticipatie.

Niet vanuit romantisch idealisme. Maar vanuit economische efficiëntie. Een decentraal systeem creëert redundantie, flexibiliteit en innovatie.

Het maakt gebruik van miljoenen investeringen van burgers in plaats van uitsluitend publieke en semipublieke investeringen. Toch blijven Vlaanderen en België opvallend terughoudend. Alsof burgers vooral een risico vormen dat moet worden beheerd. Terwijl zij in werkelijkheid een deel van de oplossing vormen.

De energietransitie zal niet slagen ondanks de burger. Ze zal slagen dankzij de burger.

Een andere vraag

Misschien moeten we stoppen met de vraag hoeveel miljard euro we in kabels moeten investeren. Misschien moeten we eerst een andere vraag stellen.

Hoeveel van die investering kunnen we vermijden door het systeem slimmer te maken?
Hoeveel congestie kunnen we oplossen met software in plaats van koper?
Hoeveel flexibiliteit kunnen we organiseren vóór we nieuwe infrastructuur bouwen?

En vooral:

Waarom blijven we denken vanuit een model waarin enkele centrale spelers het systeem sturen, terwijl de realiteit steeds meer lijkt op een netwerk van miljoenen actieve deelnemers?

De toekomst van energie zal niet worden bepaald door wie de grootste kabel kan leggen.

Ze zal worden bepaald door wie de dans van miljoenen elektronen het slimst weet te organiseren.

Plaats een reactie