Misschien moet een leraar aardrijkskunde stoppen met zeuren over het klimaat

Ja.

Je leest het goed. Misschien moeten wij, leraren aardrijkskunde, inderdaad maar eens stoppen met zeuren over het klimaat. Niet omdat de klimaatverandering niet bestaat. Niet omdat de cijfers overdreven zijn. Niet omdat jongeren geen recht hebben op de waarheid.

Maar omdat we hen met onze eindeloze stoet van grafieken, rode kaarten, droogtebeelden, bosbranden, overstromingen en rampscenario’s soms iets veel gevaarlijkers meegeven dan klimaatkennis:

machteloosheid.

En daar zouden we ons als leraar aardrijkskunde ernstig zorgen over moeten maken. Want als onze lessen eindigen met “kijk eens hoe slecht het ervoor staat”, hebben we misschien wel een probleem uitgelegd, maar nog geen leerling leren denken.

Aardrijkskunde is geen rampenrubriek

Het wordt tijd dat we ons herinneren wat aardrijkskunde eigenlijk is.

Wij bestuderen niet alleen klimaat. Wij bestuderen systemen. Water dat stroomt. Bodem die erodeert. Bossen die verdampen, verdrogen en herstellen. Steden die warmte vasthouden. Rivieren die overstromen. Mensen die landschappen veranderen.

Ecosystemen waarin een verandering ergens gevolgen kan hebben op een totaal andere plaats.

En vooral:

Wij bestuderen waar mensen kunnen ingrijpen.

Dat is een totaal ander verhaal.

Een aardrijkskundeles zou een leerling niet alleen moeten laten denken:

“Verdorie, de wereld wordt warmer.”

Maar ook:

“Wacht eens even. Hoe werkt dit systeem eigenlijk?”

En daarna:

“Waar zitten de knoppen?”

Dáár begint interessant onderwijs.

Geef leerlingen geen apocalyps. Geef ze een kaart.

Ik heb in mijn lessen vaak gemerkt dat één goede kaart meer kan doen dan tien minuten moraliseren. Toon leerlingen waar water vandaan komt. Laat hen zien waar het naartoe gaat. Laat hen meten waar hun school op een warme dag een oven wordt. Laat hen onderzoeken waarom één straat onder water loopt en een andere niet. Laat hen satellietbeelden vergelijken. Laat hen bodem, vegetatie en neerslag met elkaar verbinden. Laat hen een speelplaats herdenken. Laat hen een wijk ontwerpen waarin water niet zo snel mogelijk verdwijnt, maar juist wordt vastgehouden. Dan gebeurt er iets belangrijks.

De leerling kijkt niet langer naar de wereld als een toeschouwer. Hij begint erin te prutsen. In de beste betekenis van het woord. Met data. Met kaarten. Met hypotheses. Met modellen. Met fouten. Met nieuwe hypotheses. Dat is wetenschap. Dat is aardrijkskunde.

Een putje in Gambia

Daar moest ik opnieuw aan denken in Gambia. We hielpen er een waterharvesting bund aanleggen. Geen peperduur megaproject. Geen futuristische technologie. Een ingreep in het landschap. Water dat anders zou wegstromen, wordt afgeremd en vastgehouden.

En dan begint het interessante deel.

Meer water in de bodem kan planten kansen geven. Meer vegetatie kan de bodem beschermen. Een betere bodem kan opnieuw meer water vasthouden. En een landschap dat meer water kan vasthouden, kan weerbaarder worden.

Geen wondermiddel. Geen garantie. Geen “één greppel redt de planeet”.

Wel een systeem waarin een kleine ingreep ergens een nieuwe mogelijkheid opent.

Dat is aardrijkskunde.

Niet zeggen dat alles goed komt. Wel begrijpen waarom iets kan veranderen.

Leer leerlingen vragen: wat als?

Ik zou willen dat we dit schooljaar vaker beginnen met die twee woorden:

Wat als?

Wat als we regenwater niet zo snel mogelijk afvoeren?
Wat als een speelplaats geen tegelvlakte maar een klimaatlandschap wordt?
Wat als een dorp zijn bodem opnieuw als een spons leert gebruiken?
Wat als we steden ontwerpen vanuit de vraag waar mensen verkoeling vinden?
Wat als we ecosystemen niet alleen bestuderen wanneer ze verdwijnen, maar ook onderzoeken hoe ze kunnen herstellen?

Wat als ze met kaarten en data een voorstel maken voor een koelere buurt?

Wat als een aardrijkskundeles niet eindigt bij het probleem? Maar begint bij de vraag wat we ermee kunnen doen?

Dat is geen naïef optimisme. Dat is onderzoek.

Neem een walvis.

Een walvis zwemt door de oceaan en doet ondertussen iets wat leerlingen misschien verrassend vinden: hij maakt deel uit van de nutriëntenkringloop van de oceaan. Zijn aanwezigheid kan ecosystemen beïnvloeden.

Geen klimaatwonder. Geen walvis die de planeet gaat redden.

Wel een prachtig voorbeeld van iets wat wij als aardrijkskundeleraren voortdurend zouden moeten tonen:

de wereld werkt niet in vakjes.

Een walvis is biologie. Maar ook geografie.

Een boom is biologie. Maar ook geografie.

Water is fysica. Maar ook geografie.

Klimaat is atmosfeer. Maar ook economie, demografie, landbouw, energie, stedenbouw en politiek.

En precies daarom is aardrijkskunde zo verdomd belangrijk.

Wij leren leerlingen de verbindingen zien.

Hoop is geen roze bril

Er is een groot verschil tussen hoop en optimisme.

Optimisme zegt:

“Het komt wel goed.”

Hoop zegt:

“Het komt niet vanzelf goed. Maar als we begrijpen hoe het systeem werkt, kunnen we misschien iets veranderen.”

Dat tweede is volgens mij waar onderwijs over moet gaan. We moeten leerlingen dus niet wijsmaken dat de toekomst gemakkelijk wordt. Dat zou intellectueel oneerlijk zijn. Maar we mogen hen evenmin wijsmaken dat ze veroordeeld zijn tot het ondergaan van wat anderen vóór hen hebben aangericht.

Ze zullen meten. Ontwerpen. Aanpassen. Herstellen. Onderhandelen. Beslissen. Technologie ontwikkelen. Landschappen veranderen. Steden bouwen. Water beheren.

En fouten maken.

Heel veel fouten maken.

Zoals wij allemaal. Maar ze zullen handelen. En dus moeten wij hen leren hoe.

Aan alle collega’s aardrijkskunde

Daarom mijn kleine provocatie bij het begin van dit schooljaar.

Stop met leerlingen alleen te vertellen hoe snel de wereld verandert.

Stop met klimaatonderwijs dat eindigt in een grafiek en een schuldgevoel.

Stop met aardrijkskunde te reduceren tot een catalogus van problemen.

Stop vooral met jezelf te zien als de leraar die de slechte boodschappen van de planeet moet komen brengen.

Wij zijn geen weermannen van de apocalyps.

Wij zijn gidsen. Wij leren jongeren de wereld lezen. Wij leren hen patronen herkennen. Wij leren hen schaalniveaus verbinden. Wij leren hen oorzaken en gevolgen onderscheiden. Wij leren hen feedbacklussen herkennen. Wij leren hen begrijpen waarom een ingreep hier gevolgen kan hebben daar.

En vooral:

wij leren hen zoeken naar de plaatsen waar verandering mogelijk is.

Dat is geen activistisch onderwijs. Dat is goed aardrijkskundeonderwijs.

Dus ja.

Misschien moeten we als leraren aardrijkskunde inderdaad stoppen met zeuren over het klimaat.

Niet minder ernstig. Maar veel ambitieuzer.

Laat ons de klimaatopwarming niet gebruiken om jongeren bang te maken.Laat ons haar gebruiken om hen te leren denken.

Laat ons niet alleen tonen wat verdwijnt. Laat ons onderzoeken wat kan herstellen.

Niet alleen vertellen waar watertekort ontstaat. Laat ons zoeken waar water kan worden vastgehouden.

Niet alleen kaarten tonen van hitte. Laat leerlingen onderzoeken waar verkoeling mogelijk is.

Niet alleen praten over biodiversiteitsverlies. Laat hen ontdekken hoe ecosystemen functioneren en waar herstel kan beginnen.

Want aardrijkskunde is uiteindelijk niet het vak dat vertelt:

“Kijk hoe slecht het gaat.”

Aardrijkskunde is het vak dat vraagt:

“Waarom gaat het zo?”

En daarna:

“Waar zitten de knoppen?”

Dat lijkt mij een verdomd goede manier om aan een nieuw schooljaar te beginnen. Want onze leerlingen hebben geen leraar nodig die hen belooft dat de toekomst gemakkelijk zal worden. Ze hebben een leraar nodig die hen leert begrijpen waarom de toekomst nog niet vastligt.

Niet de toekomst mooier voorstellen dan ze is.
Wel jongeren sterk genoeg maken om haar mee vorm te geven.

Plaats een reactie